Google

Kopafbeelding

Stuur een mail naar de Begeleidingsdienst voor Vrijescholen: P. van Meurs
Stel een vraag
Mesolijnen beweging-

                                                                                                

beweging- spraakvorming-euritmie-gymnastiek en spel-toneel

    


K-BD1

vaardigheden
De kinderen kunnen rondgaand in een kring of rij lopen op de maat of spreekritme.

De kinderen oefenen aan liedjes, cultuurspelen en gedichtjes het lopen in rij of kring van de klas. De leraar schenkt bij de oudste kleuters aandacht aan het gelijk beginnen en eindigen; aan lopen op maat en ritme.
*

K-BD2

vaardigheden
De kinderen kunnen alleen of in de kring bewegingsopdrachten uitvoeren: aantal stappen, grote , kleine stappen.

Kleuters doen veel dingen nog in de groep. Bewegingsopdrachten worden vaak groepsgewijs gegeven. De leraar kan echter bij oudere kleuters wel individuele bewegingsopdrachten geven.
*

K-BD3

bewegend ervaren
De kinderen ervaren dat ritmes en maat correct uitgevoerd willen zijn.

De leraar brengt elementen van concentratie en zorgvuldigheid in de bewegingsoefening. Het legt de basis voor geconcentreerd en juist werken in de hogere leerjaren.
*

K-BD4

praten over beweging
De kinderen kunnen beoordelen of en waarom een opdracht goed is uitgevoerd.

Bij de oudste kleuters wordt het bewustzijn gewekt voor het uitvoeren van een oefening: waaraan je kunt zien dat het goed was; wat deed jij/hij/zij anders?
*

K-BD5

zintuigspelen
De kinderen oefenen hun zintuigen in diverse spelvormen.

De leraar oefent regelmatig zintuigspelen m.b.t. tasten, bewegings- en evenwichtszin; horen en zien. Besteedt waar mogelijk (bakken,koken) ook aandacht aan reuk en smaak.
*

toneel


K-BT1

vaardigheden
De kinderen kunnen de relatie leggen tussen een toneelspelletje en een verhaal of dramatisch gegeven.

De leraar besteedt aandacht aan elementen asl uitbeelden van een gegeven, weergeven van een verhaal, herkennen van zinsneden zodat de kinderen betrokken kunnen meedoen aan een toneelspel.
*

K-BT2

de kinderen kunnen in groepsverband, onder leiding van de leerkracht een spreek- zangspelletje opvoeren.

Jaarfeesten en cultuurspelen zijn een goed aangrijpingspunt om de kinderen kleine spreek- zangspelletjes te laten doen. Hij geeft daarbij nog sterk leiding en gaat uit van de groep als geheel. Solorollen zijn incidenteel en vooral gebonden aan beweging en gebaar.
*

K-BT3

vormgeving
De kinderen snappen de portee van verkleden en het spelen met attributen.

De leraar spreekt met de kinderen over de karacterisering van rollen: een timmerman zet een helm op, heeft een overall en een hamer.
*

spraakvorming


K-BS1

spreken en luisteren
De kinderen kunnen klassikaal eenvoudige teksten reciteren onder leiding van de leerkracht.

Met de groep kinderen oefent de leraar het spreken door voorspreken en naspreken, het reciteren van korte teksten.
*

K-BS2

spreken en luisteren
De kinderen kunnen gebaren en gedichtjes en rijmpjes combineren.

Het gebaar is een belangrijke ondersteuning van het spreken. In de kleutertijd gebeurt dat op een vanzelfsprekende manier met vingerspelletjes en uitbeeldende gebaren.
*

K-BS3

spreken en luisteren
De kinderen kunnen op aanwijzing van de leraar  variatie in het reciteren leggen.

De leraar besteedt op beeldende wijze aandacht aan gevarieerd spreken: zachtjes, het kindje slaapt; zo langzaam als een luie beer.
*

K-BS4

uitdrukkingsmiddelen
De kinderen kunnen een tekst in een ritmische cadans meespreken.

De leraar spreekt met de kinderen de ritmes op een lichte, iets vrije wijze.
*

K-BS5

uitdrukkingsmiddelen
De kinderen oefenen in (vinger)spelletjes specifieke klanken.

Vooral bepaalde medeklinkers lenen zich daarvoor: fff – blaast de wind, rrrrrrr – gaat het wieletje, mmmmm – lekker!
*

euritmie


K-BE1

vaardigheden en behendigheid
De kinderen kunnen rondgaand in de kring stappen, huppelen, rennen.

De euritmist oefent deze vaardigheden in specifieke oefeningen vanuit beeldende motieven.
*

K-BE2

vaardigheden en behendigheid
De kinderen kunnen op de volle voet lopen en op de tenen.

De euritmist oefent de deze vaardigheden in specifieke oefeningen vanuit beeldende motieven.
*

K-BE3

vaardigheden en behendigheid
De kinderen kunnen onder leiding van de euritmist een oefening gelijk beginnen en beëidigen.

De euritmist oefent de deze vaardigheden in specifieke oefeningen vanuit beeldende motieven.
*

K-BE4

ruimtelijke oriëntatie
De kinderen kunnen in een kring staan; naar binnen en naar buiten in de kring lopen.

De euritmist oefent de deze vaardigheden in specifieke oefeningen vanuit beeldende motieven.
*

K-BE5

ruimtelijke oriëntatie
De kinderen kunnen een rechte weg lopen als ze een duidelijk doel voor ogen hebben.

De euritmist oefent de deze vaardigheden in specifieke oefeningen vanuit beeldende motieven.
*

K-BE6

verbeelden
De kinderen kunnen vanuit beeldende motieven bewegen en gebaren maken.

De euritmist oefent de deze vaardigheden in specifieke oefeningen vanuit beeldende motieven.
*

K-BE7

verbeelden
De kinderen kunnen verschillende motieven herkennen en overeenkomstig daaraan gebaar of beweging maken.

De euritmist oefent de deze vaardigheden in specifieke oefeningen vanuit beeldende motieven.
*

K-BE8x

verbeelden
De kinderen kunnen beweging en gebaar maken op gesproken woord en muziek.

De euritmist maakt gebruik van teksten en (lier)muziek als beeld of begeleiding van de euritmie.
*

gymnastiek en spel


K-BG1

bewegingsvormen
De kinderen kunnen klimmem ne klauteren over speeltoestellen; glijden langs de glijbaan, zittend schommelen, balanceren op een niet te smal grondvlak.

Er zijn speeltoestellen in de klas – eventueel speellokaal – en op het schoolplein, waarop de kinderen genoemde bewegingen kunnen uitvoeren.
*

K-BG2

bewegingsvormen
De kinderen kunnen rennen, huppelen en hinkelen.

De kinderen doen spelvormen waarbij de kinderen huppelen, rennen en hinkelen oefenen.
*

K-BG3

spel
De kinderen kunnen vrij in het lokaal spelen. Ze kunnen aan het spelmateriaal zin geven vanuit hun fantasie en daarbij structuur en vorm aan hun spel geven.

In de klas is gevarieerd spelmateriaal voor het vrije spel: blokken, kistjes, lappen en kleden, potjes, pannetjes, dierfiguren, huisjes, banken, planken. Er zijn verschillende speelhoeken met een eigen karakter en kleur. De leraar schept de sfeer waarin de kinderen vrij en fantasierijk kunnen spelen.
*

K-BG4

spel
De kinderen kunnen (mikkend) met een bal werpen; eenvoudige tikspelen doen; oefenen met touwtje springen.

Naaststaande activiteiten worden met de kinderen in een speelse situatie geoefend – vaak met enkele kinderen terwijl anderen vrij spelen.
*

K-BG5

sportief spelen
De kinderen kunnen – onder toezicht van de leraar – rekening houden met elkaar.

De kinderen mogen vrij spelen; de leraar helpt waar nodig als kinderen elkaar zouden hinderen.
*

K-BG6

eigen bewegingsmogelijkheden inschatten
De kinderen kunnen hun eigen bewegingsmogelijkheden inschatten.

De leraar stimuleert durf en vaardigheid’,maar zorgt daarbij steeds voor veiligheid en zekerheid bij het spelen en oefenen; leert bijvoorbeeld de kinderen op te letten of een plank stevig ligt, wijst op het gevaar van een sprong van de glijbaantoren.
*